Elkaar

Toegang tot elkaarStartups gedijen goed in een omgeving waar zij elkaar en ervaren ondernemers (coaches) kunnen treffen. Deze nieuwe groep ondernemers worden vaak vanuit hun product of dienst richting het ondernemerschap gedreven en hebben vaak behoefte aan intervisie en tips over het opstellen van een businessplan, het verkennen van de markt, het proces van productontwikkeling en de administratie die bij het ondernemerschap komt kijken. Uit onderzoek van accountantskantoor Ernst & Young in de G20-landen, blijkt dat het bieden van een netwerk rondom jonge ondernemers het ondernemingsklimaat in een land aanzienlijk versterkt. Clustervorming en het opzetten van campussen helpt om van deze startups volwaardige ondernemers te maken. Onderzoek heeft aangetoond dat starters die gesteund worden door ‘business incubators’ twee keer zoveel kans van slagen hebben. Plekken in acceleratorprogramma’s, incubators en broedplaatsen zijn om deze reden populair bij startups. Yes Delft, kennispark Twente en Bio-sciencepark Leiden zijn naast Brainport Eindhoven mooie voorbeelden van een inspirerende werkomgeving voor innovatieve starters. Bovendien bieden deze voorzieningen vaak een goede en goedkope fysieke eerste werkplek, waar vanuit de onderneming kan ‘uit’groeien.

De kracht van innovatie ligt in samenwerking. Campusbedrijven innoveren sneller en beter, omdat ze dicht bij elkaar zitten en daarmee makkelijk kennis, faciliteiten en laboratoria delen. Daarom is het goed nieuws dat minister Kamp onlangs een nieuwe broedplaats op de High Tech Campus in Eindhoven financieel ondersteunde met € 6 miljoen. Deze broedplaats -het Mμ-gebouw- is een centrum voor jonge, innovatieve ondernemers en al meer gevestigde hightech bedrijven. Naast het Rijk zijn gemeente, provincie, de Technische Universiteit en private financiers als ASML, Rabobank en Philips betrokken. Door de ligging op de campus zijn kennis, onderzoek en ontwikkeling binnen handbereik. Behalve kantoorruimte heeft het centrum een aantal hoogwaardige laboratoria voor onderzoek. Er worden producten ontwikkeld als nieuwe accu’s voor elektrische auto en robots die in de toekomst ingezet worden in operatiekamers.

Veel gemeenten en provincies maken, in samenwerking met universiteiten en hogescholen al werk van deze fysieke clustering. De wijziging van de leegstandswet per 1 juli 2013 biedt gemeenten en provincies al meer ruimte flexibel om te gaan met het bieden van een (tijdelijk) onderkomen: het wordt gemakkelijker om leegstaande woonruimte of kantoren tijdelijk te verhuren. Zo is bijvoorbeeld voor kantoorgebouwen de maximale verhuurperiode opgerekt van 5 naar 10 jaar en mogen verhuurder en huurder gezamenlijk de huurprijs bepalen.
Een verdere flexibilisering van bestemmingsplannen op lokaal niveau is daarnaast gewenst, om deze innovatieve starters de plek te geven die past bij het innovatieve karakter van de onderneming: dicht bij de benodigde kennis van de universiteit of juist in het bruisende centrum van de stad.
In de nieuwe Omgevingswet wordt toegewerkt naar meer globale bestemmingsplannen en meer flexibiliteit om tijdelijk te kunnen afwijken van het bestemmingsplan. Bovendien worden de procedures voor tijdelijke afwijkingen van het bestemmingsplan verkort tot maximaal 8 weken.

Vanuit het Europese Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) worden fondsen beschikbaar gesteld voor het versterken van de regionale concurrentiekracht. Juist startups leveren een bijdrage aan het concurrentievermogen van regio’s. Zij ontwikkelen nieuwe producten en diensten die voor een groot deel bijdragen aan de economische groei. Binnen de besteding van de EFRO-middelen dient ruimte te zijn voor regio’s om te investeren in fysieke kennisclusters en een aantrekkelijke werkomgeving voor innovatieve starters.

De Technology Transfer Offices (TTO) van universiteiten kunnen een goede eerste stap zijn voor gepromoveerden en andere onderzoekers die hun kennis naar de markt willen brengen. Het gaat dan niet alleen over het benutten van octrooien, maar vooral ook om het gebruik van de specifieke kennis en kunde die de onderzoekers binnen hun vakgroep en tijdens hun onderzoek hebben opgedaan. Het moet dan ook aantrekkelijk zijn om naast een aanstelling als onderzoeker, ook een eigen bedrijf te beginnen. Universiteiten zouden dit moeten bevorderen. Valorisatie is immers niet hetzelfde als het maken of verkopen van patenten. Heel veel kennis is niet in een patent te verwerken, alleen al omdat het een onderdeel is van de werkwijze die alle onderzoekers in een bepaald veld delen. Dat maakt deze kennis niet minder waardevol voor de wereld buiten de universiteiten en kennisinstellingen. Via een spin out-bedrijf kan deze kennis ontsloten worden naar de markt. Een startup kan tegelijk als voorbeeld en informatiebron dienen voor promovendi en studenten die hun kennis willen gaan gebruiken als zij hun traject op de universiteit hebben afgerond. Zorg dat de TTO van de verschillende universiteiten hun methodes goed met elkaar af gaan stemmen. De leidraad zou daarbij moeten zijn dat ze niet op basis van het aantal door hen verkochte octrooien worden afgerekend of bekostigd, maar op basis van het aantal succesvolle startups dat zij hebben helpen ontstaan.

Het is voor het innovatieklimaat belangrijk dat promovendi vaker kiezen voor het promoveren bij een bedrijf of (publiek-privaat) kennisinstituut. Het huidige systeem van een promovendi-bonus aan de universiteiten stimuleert dit niet. Het zou goed zijn als ook in Nederland het systeem van de promovendi-bonus wordt heroverwogen en ook bedrijven of kennisinstituten gecompenseerd kunnen worden voor de kosten die zij maken bij het begeleiden van promovendi, in plaats van enkel de universiteiten.

Wij zien kansen om het ondernemerschap binnen opleidingen verder te versterken. Er worden al minors ondernemerschap aangeboden, maar er is vanuit de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) bijvoorbeeld nog geen keurmerk voor ondernemende opleidingen. Ook kan gedacht worden aan het aanbieden van masteropleidingen waarin naast de inhoudelijke verdieping ook aandacht is voor ondernemersvaardigheden. Eigenlijk op dezelfde manier waarop er nu al researchmasters worden aangeboden. En waarbij het starten van een onderneming gecombineerd kan worden met het afronden van de Masteropleidingen. Het afschaffen van de bijverdiengrens voor de studiefinanciering in het laatste jaar door het Kabinet Rutte I is hiervoor een belangrijke stap in de goede richting geweest.

Tot 2020 zijn er jaarlijks 30.000 extra technici nodig. Het kabinet pakt dit tekort aan. Met onderwijs, bedrijfsleven, werkgevers, werknemers en regio’s is in mei 2013 het Techniekpact gesloten. Het pact is gericht op de langjarige aanpak. In dit pact staan 22 afspraken gericht op de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt in de technieksector en het terugdringen van het tekort aan technisch personeel. Hieronder een investeringsfonds voor samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven, meer bètadocenten in het voortgezet onderwijs en inzet op scholing en van werk-naar-werk-trajecten.

Mede door de aandacht die er het afgelopen jaar is geweest voor het tekort aan technici is het aantal studenten die kiezen voor een technische studie met 20% gestegen. Dat is geweldig nieuws en onderstreept de noodzaak om voortvarend met de uitvoering van het Techniekpact aan de slag te gaan. De aantrekkelijkheid van technische opleidingen kan verder vergroot worden als aankomende studenten meer zicht krijgen op de innovatieve bedrijven die uit deze opleidingen voortkomen. Zet de startups daarom in de etalage. Daarnaast is het voor de startups van belang om vroegtijdig in contact te komen met technisch talent. De beschikbaarheid van voldoende geschoold personeel is voor deze starters een grote zorg, zo blijkt uit de gesprekken. Incubators bij de universiteiten en hogescholen bieden dus een voordeel voor zowel de opleidingen als de startups.

Wij onderling contact tussen startups stimuleren. Daarom doen we de volgende voorstellen.

Voorstel

  • Stimuleer de regio’s EFRO-gelden in te zetten voor fysieke innovatieclusters en bijvoorbeeld incubators.
  • Reserveer een deel (indicatief 2,5%) van de middelen in de eerste geldstroom van universiteiten voor de ontwikkeling van incubators.
  • Stimuleer gemeenten meer flexibiliteit in hun bestemmingsplannen te brengen, waardoor broedplaatsen kunnen ontstaan en startende ondernemers meer vrijheid hebben in hun locatiekeuze.
  • Ontwikkel een NVAO-keurmerk voor ondernemende opleidingen, zoals er bijvoorbeeld ook een keurmerk is voor internationale opleidingen.
  • Heroverweeg het systeem van promovendi-bonussen (die alleen aan een universiteit kunnen worden uitgekeerd) om promoveren bij een publiek-privaat kennisinstituut of bedrijf te stimuleren.
  • Stimuleer universiteiten en hogescholen om naast researchmasters ook business master te ontwikkelen, waar naast de inhoudelijke verdieping ook aandacht is voor ondernemersvaardigheden en het opzetten van een eigen startup.
  • Zorg dat bij de Technology Transfer Offices en incubators niet alleen inhoudelijke begeleiding is voor de startups, maar ook begeleiding door doorgewinterde ondernemers.
  • Betrek in de brief over het benutten van intellectueel eigendom op resultaten van wetenschappelijk onderzoek een visie op een gemeenschappelijke en effectieve werkwijze van de TTO van universiteiten. Zorg er daarbij voor dat universiteiten en hogescholen niet beloond worden voor het hebben van patenten, maar juist voor het benutten van patenten en het zorgen voor succesvolle startups.